Günther Können

Volgende >
[1] [2] [English]

Gunther Konnen

Günther Können (1944) is sinds 1964 lid van de KNVWS en ondermeer bestuurslid van de Amsterdamse afdeling en voorzitter van de Werkgroep Meteoren geweest. Hij is tevens lid van de KNVWS afdeling 't Gooi en van de Werkgroep Praktische Sterrenkunde (WPS).

 

Hij heeft en had een breed interessegebied – ruimtevaart, sterrenkunde, fysica, hemelmechanica en meteorologische optica (inclusief polarisatie). Waarnemen doet hij sporadisch met zijn 8-cm lenzentelescoop, zo’n 60+ jaar geleden handgemaakt door Piet Meesters.

 

Het meeste tijd steekt hij in theoretische studies van halo’s en het schrijven van populaire en professionele artikelen hierover.

Sinds kort heeft Günther zelfs een "eigen" planetoïde 12157 Können (1070 T-2)!

Zenit artikelen door Günther:      

Superstorms

Superstormen staan vandaag de dag in het centrum van de belangstelling. Günther Können schreef in Zenit van januari 2008 hier een artikel over. In maart 2008 schreef hij een artikel over halo’s bij zons- verduisteringen: die zijn inderdaad soms te zien!

 

En voor de luchtreizigers schreef hij een artikeltje in het juli/aug nummer van Zenit over vervormde glories – dit zijn de fraaie ‘regenboogjes’ die men rond de vliegtuigschaduw te zien kan krijgen.

 

Deze artikelen (en nog meer) kunnen worden gelezen en gedownload via de website van Günther, onder het hoofdstuk 'optische verschijnselen'.

Iridium flares vanavond?

Iridium flares zijn satellieten die een vijf- tot tiental seconden enorm oplichten, waarbij ze zó helder kunnen worden dat ze zelfs op klaarlichte dag zichtbaar kunnen worden. Deze satellieten maken deel uit van een – inmiddels failliet – telecommunicatie-netwerk.

 

Foto: APOD, 22 oktober 1999, J. W. Young ( TMO, JPL, NASA)

 

De flares ontstaan omdat de satellieten een vlakke antenne hebben ten grootte van een deur, die soms het zonlicht naar je toe kaatst. Dit veroorzaakt een enorme helderheids-toename: de satelliet, normaal van de 6e magnitude, vlamt op tot magnitude –2, soms zelfs tot – 9. Dit laatste betekent een helderheidstoename van maar liefst een factor miljoen; de helderste flares zijn honderd keer helderder dan Venus.

 

Per satelliet is het vrij uitzonderlijk dat zijn antenne het zonlicht precies naar het Gooi kaatst, maar omdat er ruim 70 van zulke satellieten zijn, doet het verschijnsel zich toch bijna iedere avond voor.

 

Om de flare te zien, hoef je maar weinig te doen. Een verrekijker is niet nodig. Belangrijk is dat je van te voren je (digitale) horloge ijkt met behulp van teletekst, want timing is cruciaal bij dit kortstondige verschijnsel. Zet een wekker, en ga een minuutje voor de voorspelde tijd naar buiten. Oriënteer je aan de hemel en kijk in de goede richting – dan zie je hem. Een minuut later sta je weer binnen.

 

Uiteraard kan je de flares ook op vakantie zien. Als je de coördinaten van je locatie weet, kan je via website http://www.heavens-above.com/ een lijst met de zichtbaarheid van Iridium flares en andere satellieten (waaronder de ISS) uitdraaien. Altijd de moeite waard om dit in relaxte sfeer met je reisgenoten te delen.

Volgende >
[1] [2] [English]

Eclips 4 januari 2011

eclips

Vlak na zonsopkomst op 4 januari vond een gedeeltelijke verduistering van de Zon plaats over Nederland. De meeste van ons hebben weinig gezien doordat het bewolkt was. Maar de volhouder wint! Günther schreef dit verslag:

De verduistering bevatte toch nog een meevaller, althans voor mij. Ik was tegen beter weten in naar de Grote Melm gegaan, hier in Soest bij de Eem, waarvandaan je vrij uitzicht naar het zuidoosten hebt. Dicht bij de horizon was een strook vrijwel onbewolkte lucht, waarin je de verduisterde zon zag opkomen! sat

 

 

 

De strook zelf was niet veel breder dan de halve zonnediameter, maar ongeveer een halve minuut lang was de verduisterde zon er prachtig in te zien. Ik heb zelfs met mijn cameraatje nog een foto kunnen maken (foto boven). De zonnesikkel in het heldere stuk wordt doorsneden door een verre wolkenband. Verder heb ik de zon niet meer gezien tijdens de verduistering, maar dit was de moeite waard!

Op de infraroodfoto op de eclipsdag (foto links), op het moment van zonsopkomst was een smalle opklaringszone juist over de Duitse grens zichtbaar. Die heeft er voor gezorgd dat vanuit delen van midden NL (waaronder Soest, op 80 km afstand van de opklaringszone) de hemel in ZO richting vlak bij de horizon toch een smalle onbewolkte strook van zo'n 0.3 graden hoog liet zien, waarin de opgaande zon zich net kon vertonen.

Rainbow

Regenbogen

Zon en regen: keer je rug naar de zon en je ziet de regenboog. Hij vormt een cirkel met als middelpunt de schaduw van je hoofd. Dus: hoe hoger de zon, des te kleiner het regenboogsegment dat boven de horizon uitsteekt. ’s Zomers, rond het middaguur zie je dus geen regenboog, ook al plenst het van de regen: de hele boog is onder de horizon. Maar ’s avonds zie je hem des te beter!

Even buiten de boog is de 2e regenboog; hij is zwakker dan de 1e boog en zijn kleurvolgorde is omgekeerd! Deze boog is de weerkaatsing van de 1e regenboog in de druppel zelf: het licht ondergaat niet één, maar twee weerkaatsingen tegen de druppelwand. Tussen de twee bogen is de lucht het donkerst – dat is de zogeheten ‘band van Alexander’.

 

Een regenboog is geen op zichzelf staand verschijnsel, maar vormt de grens van een gebied aan de hemel dat door een specifieke stralengang door een druppel oplicht. Hoe dichter je bij de grens kijkt, des te helderder de lucht – de uiterste grens wordt gevormd door rood. Dientengevolge is het binnen de eerste en buiten de tweede boog lichter dan er tussenin. Schilders kennen deze structuur meestal niet en hebben daarom moeite de regenboog natuurgetrouw weer te geven.

(Foto: Ralf Pitcheneder, München, 8-7-’05)

 

 

 

Een derde regenboog (nóg een reflectie) zou ook moeten kunnen, maar die vormt zich aan de zonzijde van de hemel war het hemellicht zó helder is dat de boog er in verdrinkt – je ziet hem dus nooit. Wél zie je binnen de 1e regenboog soms smalle extra boogjes, de ‘overtallige bogen’; hun onderlinge afstand hangt verband met de grootte van de druppels.

 

Binnen de regenboog zijn de zogeheten ‘overtallige bogen’ zichtbaar.

(Foto: Mike Nicholson, Papatoetoe, Nieuw Zeeland, 7-9-’07)

 

 

 

Regen in vakantietijd: maar weinig toeristen zitten daar op te wachten. Maar als het dan toch moet gebeuren, verzacht een fraaie regenboog de pijn. En hoe langer je er naar kijkt, hoe fraaier hij wordt! Daarom hieronder nog een paar ‘gekke’ regenbogen.

 

Een ‘regenboog-exoot’: de regenboog doorkruist zijn spiegelboog, die is opgewekt de stralen van het spiegelbeeld van de zon in het gladde water. Zeldzaam, maar bij rustig water, regen en laagstaande zon moet dit ook wel eens vanaf het dek van een Waddenveerpont in Nederland te zien zijn.

(Foto: Nicola Boll, Isfjord bij Spitsbergen, 22-8-’06)

 

 

 

‘Gebroken regenboog’: de regenboog boven de horizon ontstaat in regen, die dus uit zoet water bestaat, die onder de horizon in zeewaterdruppels. Omdat zout water een iets kleinere brekingsindex heeft, is de regenboog kleiner. Deze foto bewijst dat zeewater zout is – een feit dat je natuurlijk ook kan weten door gewoon te proeven.

(Foto: J. Dijkema)

 

 

 

Het antwoord op de veelgestelde vraag: ‘Waarom is de regenboog rond?’ luidt simpelweg: ‘Omdat een regendruppel rond is!’

(Foto Galen Rowell, Kauai Island, Hawaii 1993)

 

 

 

Eilandklimaat                                                                         

Iedereen kent het en iedereen weet het: het klimaat op een waddeneiland is anders dan op het vaste land. Het verschil: het waait er harder (da’s logisch), er is meer zon en minder regen. Maar is het ook waar? De langjarige KNMI statistieken geven dat er op Terschelling 5% meer zon en slechts 1% minder regen is dan in het binnenland. Deze verschillen is zó klein dat het zich niet in de dagelijkse ervaring manifesteert. Hier wringt iets.

 

Net als elders in het land kan het ook op de Waddeneilanden prima regenen. Maar op warme zomerdagen gebeurt dan niet zo vaak als in het binnenland.

 

Om een vinger achter het eilandklimaat te krijgen, kijken we eerst eens naar weersituaties waar geen verschil is tussen eiland en binnenland. Dit is het geval als wij onder invloed staan van oceaandepressies, die koele lucht – we hebben het over de zomer – met daarin de machtige Atlantische regenfronten het Europese vasteland injaagt. Deze grootschalige weerssystemen laten zich niet door de ondergrond beïnvloeden en brengen dus zowel hier als in het binnenland hetzelfde weer: regenachtig en bewolkt, afgewisseld door opklaringen en dit alles bij een gematigde temperatuur. In Nederland wordt het overgrote deel van de dagen gekenmerkt door dit weertype.

Veel zeldzamer zijn de dagen waar ons klimaat zijn andere gezicht toont. Op die dagen verkeren wij onder invloed van een hogedrukgebied, dat eigenlijk thuis hoort in Zuid Europa. In deze situatie blijven de oceaandepressies op afstand en is de temperatuur (alweer, ik praat over de zomer) hoog – vooral in het binnenland. Maar als de zon het temperatuursverschil bodem-bovenlucht boven een bepaalde grens laat stijgen, dan vormen zich wolken die in de namiddag tot onweersbuien kunnen uitgroeien maar ’s avonds weer oplossen. Vanuit de Waddeneilanden zien wij zulke onweerswolken regenmatig boven het Friese vasteland hangen.

Op de eilanden gaat het anders: terwijl het binnenland, geheel conform het KNMI weerbericht in de bewolking klapt, zitten de eilanden lekker in de zon. Het (hete) eilandoppervlak is namelijk zó klein dat de wolkenvorming geen kans krijgt goed op gang te komen: tegen de tijd dat een wolk dreigt uit te groeien is hij alweer boven het koele zeewater beland en dooft hij dus uit.

Aan de Zuid-Hollandse kust doet er zich iets soortgelijks voor, waardoor het ook daar op warme dagen zonniger is dan in het binnenland. Het verschil is dat daar maar aan één kant zee is, waardoor het kusteffect wat minder in het oog springt dan bijvoorbeeld op het door zee omringde Terschelling. Het aardige van het geval is dat het kust/eilandklimaat zich niet manifesteert bij druilregen als iedereen toch al binnen zit, maar juist op de (zeldzamer) dagen dat het mooi weer is: het is dan op de eilanden èxtra mooi. Dit is de reden dat wij het eilandklimaat vanuit onze dagelijkse ervaring herkennen.

Buiten de zomer kent een eiland ook specifieke klimaatkenmerken. Het mooiste voorbeeld is tijdens de herfst, wanneer het land kouder is dan de zee. Boven zee kunnen zich dan, in hogedruksituaties als hierboven beschreven, onweersbuien vormen. Dit gebeurt niet door opwarming onderop, maar door nachtelijke afkoeling aan de bovenkant van wolken. Ik ben er zeker van dat najaarstoeristen van de Waddeneilanden regelmatig getuige zijn van spectaculair nachtelijk onweer boven de Noordzee.

Algol: mijn favoriete object voor het blote oog

Algol is de beroemde ‘knipperster’ die eens in de 3 dagen aanzienlijk zwakker is dan normaal. Als je gewend bent aan Algol in zijn normale gedaante, is het indrukwekkend hem in zijn minimum te zien. Zijn helderheid is dan vergelijkbaar met het sterretje er vlak naast (ρ (Rho) Per). De oorzaak van zijn gedrag is dat het een dubbelster is waarvan de ene component de andere periodiek verduistert. Zijn helderheid neemt dan af met een factor drie, van magnitude 2,1 tot 3,4. Visueel vindt het proces in 8 uur plaats: Eerst neemt zijn helderheid in drie uur gestaag af; vervolgens is hij ongeveer twee uur constant op de lage waarde; tenslotte neemt de helderheid in drie uur weer toe tot normaal.

In de loop van een maand treden de waarneembare minima in groepjes op. De periode van Algol is 3 dagen min 3,2 uur, dus opeenvolgende minima treden steeds 3 uur vroeger op: dus als een minimum om middernacht valt, dan valt het drie dagen later om 21 uur, nog eens drie dagen later om 18 uur. Daarna valt het minimum een aantal keren overdag en is dus niet waarneembaar. Na ongeveer 8 x 3 = 24 dagen is het minimum uiteindelijk een vol etmaal teruggeschoven, dus na 23 dagen valt het weer rond hetzelfde tijdstip.  Kortom: eens in de drie weken hebben wij een paar keer de gelegenheid om Algol nabij zijn minimum te zien. Als wij onze waarnemingstijd beperken van zonsondergang tot middernacht (dat lijkt zinnig), dan bestaat een serie uit ten hoogste drie achtereenvolgende gevallen, steeds dus met drie dagen tussenruimte. Tijdens de korte zomernachten zijn het er uiteraard minder – meestal is het er maar één.

Het is niet alleen de moeite waard om Algol in zijn minimum te zien staan, maar ook om hem in zo’n 4 uur van zijn minimum naar zijn normale helderheid te zien gaan. In het winterhalfjaar is dat prima mogelijk – hulpmiddelen zijn niet nodig. Voor mij is Algol alleen daarom al een van de leukste objecten aan de hemel. Iedere avond als ik even buiten ben, kijk ik even of ik hem op zijn minimum kan snappen. Simpele blote-oog astronomie, maar echt een aanrader!

Het eerstvolgende maximum kunt u hier opzoeken. Zet uw alarm als het vanavond gebeurt!